Kampen1854.nl op Facebook
Heden, 6 December [1894], gedenkt de Theologische School van "de Gereformeerde Kerken in Nederland" haar veertigjarig bestaan, en deze Inrichting van onderwijs is van beteekenis genoeg voor onze stad, om een oogenblik aan hare geschiedenis aandacht te wijden.
In de behoefte, welke de eerste "Christelijke Afgescheidene Gemeenten" hadden aan predikanten, werd terstond na hare formatie voorzien door het opleiden van godsdienstleeraren bij degenen, die de meeste kennis hadden en daartoe het eerst aangezocht werden door gemeenten, of bijzondere personen, die wenschten opgeleid te worden. Ds. Hendrik de Cock van Ulrum begon er al spoedig mede.

De pogingen om tot eenheid in deze opleiding te geraken, ten behoeve van al de gemeenten, slaagden echter eerst met hare Synode van 1854. En hoewel Amsterdam, Arnhem, Franeker, Groningen, Zutphen, Zwolle en Kampen werden besproken, viel toch de keuze op onze stad Kampen, waar destijds Ds. Helenius de Cock leeraar was van de "Chr. Afg. Ger." Gemeente.

De Theologische School begon met vier door de Synode aangestelde Leeraren: D D. T.F. de Haan, S. van Velzen, A. Brummelkamp en Helenius de Cock; en met veertig studenten, waarvan de bestaande scholen te Arnhem, Groningen en Hoogeveen het grootste contingent leverden. (Onze tegenwoordige stadgenoot Ds. J. Bavinck, hoewel reeds te Hoogeveen predikanten opleidende met Ds. W. Kok, had voor de benoeming als vierden Leeraar aan de Theologische School bedankt.)

De bevestiging der Leeraren en de opening der School geschiedde, in tegenwoordigheid van Burgemeester en Wethouders, in het "Chr. Afg. Ger." kerkgebouw, – toen in de Hofstraat staande, ten noorden der sigarenfabriek van den heer W.G. Boele, met het huis in de Nieuwstraat thans bewoond door Mevr. Wiegel, tot pastorie, – door Ds. C.G. de Moen, die later als penningmeester der Theologische School verscheidene jaren in Kampen woonde. De Leeraren waren gehouden in het openbaar het Formulier te onderteekenen voor de Professoren der H. Theologie volgens de Synode van Dordrecht 1618/19.

Een Schoolgebouw was er toen nog niet, en de Leeraren (of "hoofdonderwijzers" zooals zij primitief bescheidenlijk genoemd werden; wat later kwam de naam "docent" in gebruik;) gaven de lessen in hunne woning. Bij talrijke colleges ook in de kerkekamer. De proefpreeken werden in de kerk gehouden; en de Leeraren hielden hun z.g. Krans-avond, met de studenten, alsmede de Docenten- en Curatoren-vergaderingen in de benedenzaal van het huis in de Nieuwstraat ten noorden der woning van den heer P.W. Staal.

Men moet de volharding en den stalen ijver dier eerste Leeraren bewonderen, die zij voor hun beginsel betoonden over te hebben. Allerlei vakken toch hadden zij te onderwijzen, als Ned. Taal en Stijl, Geografie, Vad. en Alg. Gesch., Logica en Psychologie, Latijn, Grieksch en Hebreeuwsch, Grieksche en Romeinsche Antiquiteiten en Mythologie, Philosophie, Bijb. Gesch. en Geografie en Archaeologie, Kerkgeschiedenis, Exegese .Oude en Nieuwe Testament, Isagogiek, Moraal, Natuurlijke, Stellige, Wederleggende en Beoefenende Godgeleerdheid en Predikkunde.

Ook moet men achting hebben voor den moed der studenten, waarvan verreweg de meesten op volwassen leeftijd, ja gehuwd zijnde, zulk een studie uit geloofsbeginsel aanvaardden; sommigen met overgave van een goede burgerlijke zaak; anderen gezonden en geholpen door vrienden, gemeenten of kassen. In de eerste jaren kon men dan ook om den leeftijd vrijgesteld worden van studie in de Oude talen. Dit gebeurde echter zelden en werd spoedig geheel afgeschaft.

De Theologische School was nog niet terstond door de Regeering erkend, toch werden de studenten vrij verklaard van Militie- en Schutterijdienst op een verklaring van den Kerkeraad der erkende "Chr. Afg. Ger." Gemeente. In 1861 werd zij echter in dezen gelijkgesteld met alle Theologische Faculteiten en Seminariën in ons land..

De inrichting werd voornamelijk onderhouden door vrije giften en collecten, en door de collegegelden die f 60 's jaars bedroegen; (thans f 80.) Bij hare opening werd haar ook het Kerkelijk Weekblad de Bazuin (van 1879-1885 op onze drukkerij gedrukt) ten geschenke gegeven door Ds. C.G. de Moen, dat weldra goede baten opleverde.

Het aantal kweekelingen nam intusschen langzamerhand toe. Was men met 40 begonnen, voor den cursus 1863-'64 waren er 56 ingeschreven; voor 1892-'93, na de vereeniging der Gereformeerde Kerken, 138; voor 1893-'94 126 en thans 121.

Al spoedig gevoelden de Synode, de Curatoren en de Docenten der School, dat het noodig was, dat de studenten beter onderlegd werden in de Litterarische vakken. Daarbij werd in 1860 Ds. T.F. de Haan reeds emeritus; zoodat de drie overblijvenden allen arbeid moesten verrichten, alsmede de gemeente te Kampen geregeld des Zondags bedienen en somtijds ook nog andere gemeentes. Zoo werd in 1866 volgens besluit der Synode, een niet-predikant, een hoofdonderwijzer benoemd met acten voor Fransch, Engelsch, Duitsch en Wiskunde, die tot taak zou hebben hen, die nog niet met vrucht aan 't Latijn konden beginnen voor te bereiden en voorts aan studenten les te geven in Ned. taal, Stijl en Letterkunde, Vad. en Algem. Gesch. en Geografie, en de Moderne talen. Dat er behoefte was en lust bij de studenten voor meer primaire studie, zegt het feit, dat genoemde Leeraar, de heer C. Mulder, reeds terstond meer dan 30 uren per week bezet kreeg met lessen aan studenten, zonder eenige verplichting daartoe vanwege het Docenten-College. Tot op heden is het aanleeren der Moderne talen nóg niet verplicht voor 't examen; toch werd al dien tijd zooveel mogelijk aan die talen, vooral Duitsch en Engelsch, met het oog op de Theologie vrijwillig gedaan. Slechts een paar malen werden kweekelingen aangenomen, die eerst een jaar onderwijs moesten ontvangen, vóór zij aan het Latijn konden beginnen, door privaat-lessen van een onderwijzer.

Omdat de krachten te kort schoten voor een gymnasium of voor-seminarie – trouwens het studenten-personeel behoorde voor de groote meerderheid nog tot de meerderjarigen – werd in 1872 weder een Leeraar benoemd, en hoewel een predikant toch uitsluitend voor Latijn en Grieksch, in Ds. A. Steketee van Zaamslag, voorzien van het Testimonium van het Gymnasium te Kampen en diploma's der Theologische School.

Ook in 1875 werd het personeel zoowel voor de Letteren als voor de Theologie weder versterkt door de benoeming van den heer M. Noordtzij, predikant te Schiedam, vroeger student aan de Theologische. School, voor het Hebreeuwsch, de Isagogiek en Exegese. Zoo werd de inrichting reeds spoedig gevoed door de vruchten van haar eigen arbeid.

Nadat de heer A. Steketee in 1882 afgetreden was, werden door de Synode te Zwolle drie Theologische Docenten te gelijk benoemd, n.l. de heeren Dr. H. Bavinck, pred. te Franeker, vooral voor de Dogmatische vakken; L. Lindeboom, pred. te Zaandam, voor Bijbelsche Gesch. en Nieuw-Test. Exegese; D.K. Wielenga, pred. te Nieuwendijk, voor Godsdienst-historie, Algem. en Vad. Kerkgesch. De Heer Bavinck, Doctor in de Theol. en Cand. in de Semitische Letteren te Leiden, was als Litterator slechts één jaar op de studentenrol ingeschreven; de heer Lindeboom kwam met Testimonium van het Gymnasium te Zwolle; doch voorts hadden deze drie heeren de Litt. en Theol. diploma's der Theol. School.

Daar echter het Litterarisch onderwijs nog meer onderwijskrachten behoefde en de Theol. Docenten zich nog te veel met het Litterarisch element moesten bemoeien, werden door de Kerk pogingen gedaan om gegradueerden in de Letteren aan de Th. School te verbinden, met de bepaling echter, dat zij lidmaat der Kerk moesten zijn. Dit bleek wel een hinderpaal, maar beginselen gingen voor.

In 1888 ontviel door den dood de ons allen nog levendig voor den geest staande Prof. A. Brummelkamp, en na dezen tijd kon ook de oudste Leeraar Prof. S. van Velzen weldra niet meer werken.

Dit gemis werd in 1890 eenigzins vergoed door de komst van den Candidaat in de Klassieke Letteren, den heer Johs. Kapteyn, die echter in het volgende jaar bedankte voor een definitieve aanstelling, ten einde zijne studie voor te zetten. Doch in den heer J. van der Valk, Candidaat in de Klassieke Letteren, vond de School in 1891 weder vervulling der ontstane leemte. De heer H. Reinink, die in 1892 benoemd werd, vertrok echter in 1893, na zijn doctoraat in de Klassieke Letteren verkregen te hebben, naar Pretoria in de Transvaal, als Rector benoemd voor het aldaar opgerichte Gymnasium.

Uit een en ander blijkt, dat deze inrichting, – schoon onverwrikt op haar kerkelijk standpunt blijvende, en haar kerkelijke organisatie handhavende als Theologische School der Gereformeerde Kerken, – nochtans zooveel mogelijk met den tijd medeging, wat de voorbereidende wetenschappen betreft, die de Theologie behooren vooraf te gaan.

Hierbij moet men in het oog houden, dat de Theologische School of liever haar Kerk, om redenen van confessioneelen aard, geen wetenschappelijke graden erkent, – zelfs doctores moeten bij haar het examen ondergaan, wanneer zij door haar predikant willen worden, – doch overigens laat de Kerk de studie vrij. Zij vraagt niet: waar men de wetenschap verkregen heeft, indien men maar beantwoordt aan het examen. Van deze vrijheid maken vele ouders gebruik door hun zonen voorloopig, op een gymnasium of bij een predikant, in de Letteren te doen studeeren. Zij, die van een Gymnasiaal Testimonium zijn voorzien, moeten echter in den regel op nog een jaar studie in de Letteren aan de Th. Sch. rekenen.

De Curatoren nemen het Litterarisch eindexamen, het Theologisch ex. A en het Theologisch B af, en verklaren met het laatste diploma den Candidaat beroepbaar voor de Kerken. Deze Curatoren zijn tien in getal, één uit elke Provincie, daartoe door de Prov. Synoden benoemd.

Voor de handhaving van deze zelfstandige kerkelijke opleiding tot predikanten hebben de gemeenten steeds hare offers gaarne gegeven; zoodat de Theologische School zich gemakkelijk bewegen kon en ook een eigen gebouw kreeg, dat reeds voor de tweede maal verbouwd wordt.

Het tegenwoordige gebouw, destijds bewoond door Prof. H. de Cock, werd na aankoop van drie kleine perceelen in de Hofstraat, en aanbouwing van een Gehoorzaal, in 1870 betrokken; waarna het lesgeven aan huis bijna geheel ophield. In 1879 werd een noordervleugel aan het oude gebouw toegevoegd over de breedte van den tuin, aan de Oudestraat uitkomende, terwijl men thans nog bezig is aan het toevoegen en verbouwen van het huis, vroeger bewoond door wijlen de weduwe Onland. Tot 1881 was de heer H. Kroeze pedel en sedert dien de heer J. Jansen.

Van begin aan genoot de Theol. School de meest heusche behandeling van de zijde der Stads- en Staatsregeering. Onder Burgemeester de la Sablonière kwam zij een paar malen in minder aangename aanraking, en wel door de toepassing der Wet op de Besmettelijke Ziek[t]en van 4 Dec. 1872. Hieronder meende men ook de Theologische School te moeten betrekken, doch bij velen heerschte hiertegen gewetensbezwaar, vooral wat de vaccine betreft; daargelaten de motieven, die uit de wet zelve aan te brengen zijn.

Na eene opzettelijke vergadering van Curatoren en Docenten werd besloten de vrijheid der Theol. School op dit gebied niet prijs te geven. Bij het onderzoek naar den toestand der vaccinatie door de politie werd dan ook door den Rector, door Docenten en Studenten beleefd verwezen naar de Curatoren. Toen werden den heer Mulder nog apart de vaccinetabellen toegezonden ter invulling; doch deze insgelijks gerenvoyeerd, daar zijn naam evenmin voorkwam op de inzake onderwijs door het Dagelijksch Bestuur afgegeven visa.

Deze standvastige houding der Theologische School droeg er niet weinig toe bij, dat de inrichtingen van Hooger Onderwijs daarop gerekend werden niet onder die contrôle te staan.

Bij gelegenheid van het derde eeuwfeest der Hoogeschool te Leiden ontving het College van Docenten – of van "Hoogleeraren," zooals de missive luidde – eene uitnoodiging om twee heeren uit hun midden af te vaardigen ter bijwoning van de Feestrede. De heeren Van Velzen en Brummelkamp zijn daar heen geweest als oud-studenten en als oud-Jagers, de heer A. Steketee als rector.

In dezen gaf dus de Leidsche Senaat reeds een voorbeeld van hetgeen de Wet op Hooger Onderwijs in 1876 vaststelde, dat nl. de hoogleeraren aan de Kerkelijke kweekscholen en seminaria bij plechtigheden der universiteiten rang en zitting naast die der universiteit hebben.

Wijlen Z.M. Willem III verleende in 1874 bij zijn vijf-en-twintigjarige troonsbestijging den oudsten Leeraar, den heer S. van Velzen, de Ridderorde van den Nederlandschen Leeuw. In 1889 bij gelegenheid van het veertigjarig Kroonfeest werd deze Ridderorde verleend aan den heer H. de Cock. De heer M. Noordtzij ontving ze in 1893 op den jaardag der Koningin.

Welke redenen hierbij ook mogen voorop gelegen hebben, zeker is het, dat deze benoemingen niet tot oneere, ja, welk ook iemands standpunt zij, een rechtmatige hulde waren aan de Kerk en haar Theologische School, die voor haar geloof weten te staan en voor haar godsdienst en de wetenschappelijke opleiding harer Evangelie-dienaren weten te arbeiden en te offeren, zoodat zij geestelijk en stoffelijk tot op heden zijn vooruitgegaan en tot hoogen bloei gekomen.

Geen wonder, dat bij de onderhandeling met "de Nederd. Gereformeerden" "de Christ. Geref." als voorwaarde stelden, dat deze inrichting zoo blijven zou. Zij heeft hare veertigjarige geschiedenis. Uit haar zijn meer dan 400 predikanten in Nederland, (waarvan ook verscheidene in Amerika,) verspreid, – om van de zendelingen maar niet te spreken, – en alzoo ter plaatse even zoovele ranken vastgeschoten, die de nauwe verwantschap met de alma mater gevoelen, en waaraan men liefst maar niet tornen moet.

Hulde daarom aan de Theologische School als monument van vrijheid van geweten en wetenschap!

BIJVOEGSEL, Kamper Courant, Donderdag 6 December [1894] Stadsnieuws