Kampen1854.nl op Facebook
KAMPEN 1854 wil de herinnering bewaren aan de Theologische Universiteit te Kampen en de invloed die van haar is uitgegaan in stad, land en wereldwijd, gedurende meer dan 150 jaar.
Jaap van Gelderen

Als veertien-, vijftienjarige maakte Wilhelmina (1880-1962) met haar moeder, Koningin-regentes Emma een grote rondreis door Nederland om, wat actueel geformuleerd, het lintjesknippen te leren. Als jong koninginnetje heeft zij zo de eerste steen gelegd voor de nieuwbouw van de Gast- en Proveniershuizen tussen Burgwal en Boven Nieuwstraat te Kampen, dat was op 3 september 1895. De bejaardenwoningen op de binnenplaats kregen speciale aandacht van de lieftallige vijftienjarige met afhangend haar: "Wat woont u hier lief en hoe fijn is het dat u gelijkvloers woont", zegt ze. De steen is nu te bewonderen in de zaal van het Stedelijk Museum in de buurt van de Oranjeportretten. Dat was in de nazomer van 1895, op 3 september. Haar kleindochter prinses Margriet opende op 3 september 2016 het geheel herbouwde complex van wat nu heet IJsselheem-Margaretha. Een fraaie steen van steenhouwer Michiel van Ommen siert een wand van de grote binnenplaats of, beter gezegd, de binnentuin.

Samuel Goudsmit (1884-1954)

48De latere schrijver Sam Goudsmit was in 1895 een jongen van elf jaar oud, zijn roepnaam was Sem, op z'n Engels, zoals er toen ook (joodse) jongens Dave heetten. Van het bezoek van de beide koninginnen lezen we niets in zijn boeken, wel over de kermisviering in de stad Kampen, die – als overal elders! – berucht was. Het jubileum van de sjoel, in de nazomer van 1897, wordt wel in warme kleuren getekend, toen was hij intussen joods gezien, volwassen geworden: bar mitswa eind januari 1897, dertien jaar oud. Stond nu 'voor eigen rekening', maatschappelijk, en in zaken van de moraal: het eerste dons op de wangen, de grotere broers willen hem wel voorlichten. Sem had een goede stem en werd regelmatig opgeroepen in sjoel om een gedeelte van de liturgie met zijn kol (stem) mee te dragen. Steekt er een voorzanger in hem? Een godsdienstleraar? Die had je in alle rangen... en uit alle standen, ook een manier om maatschappelijk te emanciperen (hoewel de vierde rang financieel niet veel opbracht).

Na enkele jaren op de M.U.L.O. gaat hij naar Amsterdam om ingeschreven te worden op het Nederlandsch Israëlitisch Seminarie. Hij is in Mokum een zogenaamde tages-esser: iedere dag (gratis) eten op een ander adres, een wekelijkse cyclus. Hij zal er een schat aan indrukken aan over hebben gehouden van het Amsterdamse Jodendom, de deftige, vroom-levende middenstandsgezinnen en hij zal rondgezworven hebben in het getto; hebben gewandeld: de stad uit, langs de Kalfjeslaan. Toch kon hij de studie niet volbrengen, naar het waarom is alleen te gissen. Hij was intelligent genoeg en had een goed-joodse opvoeding genoten bij zijn vader in de Jiddisjkat en als favoriete leerling van meneer Samuel Meijer Salomons, die van 1874 tot 1902 godsdienstleraar in Kampen was. Let op de gelijkluidende voornaam: Sem was de jongste van vele zonen en dergelijke spruiten werden dan vernoemd naar een joodse geleerde (of naar de Koning: een Willem). Het doet denken aan de gereformeerden die de naam Bram kozen voor de zoveelste zoon (naar dr. Abraham Kuyper), favoriet was ook Paul (naar Paul (S.J.P.) Krüger, die maar liefst driemaal een bezoek aan de stad Kampen bracht). Rond 1900 is Sem terug in Kampen, op zoek naar een baantje.

Kappers-leerling

Sem wordt kappers-leerling, tenslotte een beroep waarmee men over de hele wereld de kost kan verdienen, met schaar, kam en scheermes, een kwast en wat zeep. In het kleine legertje leerlingen bij de deftige coiffeur J.W.A. Bruins aan de Oudestraat wordt hij inzepertje. Hij trekt in bij zijn vader die met zijn (tweede) vrouw en (deels) nog jonge kinderen aan de Voorstraat ter hoogte van 'Vredenburch' woont (toen nog Achter de Nieuwe Muur geheten). Het is niet meer als vroeger, met de broers op de matrassenzolder. Hij heeft een kamertje tegen de balken, een schamel boekenbezit. Een dikke pil is De Oude Pelgrim, een historische roman van Walter Scott die hij heeft gekregen van Bram Kalf voor zijn bar mitswa. Vroeger werden de feuilletons uit het joodse krantje geknipt of wat men zo kon krijgen van de afval van vaders boekenstal: alles werd hardop gelezen in de familiekring, een hilarisch gebeuren. Bruins is een aardige patroon, als Sem kiespijn heeft krijgt hij 0,5 cent om zijn kies te laten trekken. Zijn zaak is deftig ingericht, je kunt er zelfs een bad nemen (tegen betaling uiteraard). Voor haarknippen, scheren en shampooing kan men een abonnement nemen en er is een grote voorraad toiletartikelen, kammen, scheerspullen, borstels en sponzen. Ook kan Bruins alle soorten haarstukken maken. Had hij ook welriekende watertjes in de aanbieding?

De middenstand

Juist tegen de eeuwwisseling vernieuwt zich de Kamper middenstand: hygiëne, betegeling, lambrisering, moderne inrichting, een fraaie pui met etalage (achter een grote glasruit). Een vleugje art nouveau zoals op de Botermarkt. Er worden etalagewedstrijden uitgeschreven door de (pas opgerichte) middenstandsvereniging en optochten georganiseerd (Sam schrijft daar later over). Muurreclames verschijnen in het straatbeeld en de advertentiebladen schieten als paddenstoelen uit de grond (bijvoorbeeld het Kamper Advertentieblad van J.H. Kok dat het grootste werd). Verderop aan de linkerkant van de Oudestraat, op nummer 114, is de militaire kleermakerij van vader en zoon Rudelsheim, van oorsprong Zwollenaren. Hun pand heeft een ronde spiegelruit. De middenstanders maken gretig gebruik van de advertentieruimte in de almanakken van de theologische studenten en van de aspirant-officieren van het K.N.(I.)L. Een Fundgrube voor onze kennis van de toenmalige Kamper middenstand! De sociaal-bewogen hoogleraar Oude Testament, Maarten Noordtzij (1840-1915) geeft adviezen hoe de middenstanders zich het beste kunnen organiseren. Maar de spiegelruit van kapper Bruins gaat aan diggelen.... door onvoorzichtigheid van Sem, het inzepertje! Consternatie, een scheldpartij, ontreddering, maar, het slot is ... wonderlijk: als Sem wil, dan kan hij toch blijven! Bruins ziet wat in de ontwakende jongen, hij heeft ontdekt dat hij van boeken houdt en verhaaltjes noteert... Kan hij niet beter teruggaan naar Amsterdam? Daar wonen toch broers en zusters die hem kunnen opvangen? "Schrijf maar over de struggel for laif", zegt Bruins. Dat zou de roeping worden van de jongen van Goudsmit, in 1904 publiceert hij zijn twee eerste verhalen. De strijd om het bestaan, the Struggle for Life, vangt aan.

De Theologische School

De School bloeit als nooit tevoren aan het eind van de negentiende eeuw, grote aantallen studenten; de afsplitsing van een heus Gereformeerd Gymnasium; bekwame docenten waaronder dr. Herman Bavinck (1854- 1921) die in deze Kamper jaren zijn vierdelige Gereformeerde Dogmatiek uitgeeft. Bavinck mengt zich in het openbare debat in de stad, zijn standpunten roepen kritiek op, maar meer nog bewondering. Het (liberale) gemeentebestuur vraagt hem adviezen. In de loop van 1902 gaat deze wereld plotseling ten onder: de Theologische School wordt verplaatst naar ... Amsterdam, waar ook twee van haar hoogleraren benoemd worden: Bavinck en Biesterveld (zij verbinden zich vooraf deze benoeming aan te zullen nemen). Het besluit wordt echter zó niet uitgevoerd: de faculteit van de Vrije Universiteit blijft recht overeind, de School bloedt welhaast dood (een derde hoogleraar sterft, D.K. Wielenga). Twee docenten blijven, Noordtzij en Lindeboom, de meeste studenten gaan echter mee naar Amsterdam, zij ontvangen zelfs subsidie omdat in Amsterdam het leven nu eenmaal duurder is... De School werd niet opgeheven, zou vanzelf wel uitsterven, zo was de verwachting. In afwachting daarvan werden twee nieuwe hoogleraren benoemd: dr. Harm Bouwman (1863-1933) en dr. Anthony H. Honig (1864-1940). Voor de stad (de hospita's, de middenstanders, het maatschappelijk debat, de jongedames) was het bepaald een klap, het vertrek van zoveel theologen en theologanten.

Kapper Bruins laat het daar niet bij zitten: hij schrijft de volgende brief (we visten deze uit het archief van de beminnelijke professor Honig):

J.W. Bruins

Kampen, 12 Januari 1903

Wel Eerwaarde Hooggeleerde Heer!

Door deze neem ik de vrijheid door / toezending van mijn adreskaart mijne / zaak bij U aan te bevelen. Tot mijn / blijdschap had ik het voorrecht onze / beminde Professoren de Heeren Bavinck / en Biesterveld te mogen bedienen.

In een kapperssalon zijn de Chris/tenen schaars vooral uit onze Gemeen/te. Vandaar ook mijne blijdschap / onder al mijne wereldsche Clienten / ook de Heeren Professoren te mogen / tellen. Met vrijmoedigheid beveel / Ik mijne zaak bij U. H G Heer en / bij Uwe familie aan. Mijn uiterste / best zal ik inspannen U naar behooren / te bedienen, terwijl vele huishoudelijke / artikelen in mijn winkel gevonden worden.

Dat Uw ingang in onze Gemeente / zij onder 's Heeren gunst en Hij / de Heere U tot rijken zegen moge / stellen voor Zijn Gemeente en onze School.

Met verschuldigde Hoogachting

U E dienstwillige

J.W. Bruins